Morsdood
Pats.
Verdorie, nog niet. Weer gaf ik een klap met de achterkant van mijn strijkijzer. Niet zoals het hoort, dat weet ik ook wel. Maar verschroeien onder de zool van mijn strijkijzer leek mij ook geen vredige dood.
Ik had net de was afgehaald. Het T-shirt van zoonlief op de strijkplank en toen kroop hij eruit. Een wesp. Zeven pogingen later lag hij er nog. Spartelend. Pootjes in de lucht, iets slijmerigs uit zijn lijf. De wereld mag van geluk spreken dat ik geen seriemoordenaar ben. Ik bak er niets van.
Met een papiertje wilde ik hem naar de wc brengen, voor het laatste zetje. Halverwege viel hij eraf. Daar lag hij weer. Nog steeds levend. Ik stampte en voor de zekerheid ging de stofzuiger erop. Weg was hij. “Tot stof zult gij wederkeren” flitste door mijn hoofd.
Wreed? Misschien. Maar het was hij of ik. De vorige keer dat ik er één buiten wilde zetten, werd ik gestoken. Dat heb ik gevoeld. Dansend rende ik heen en weer door de keuken. Ik heb nog nooit zo creatief gescholden. Dagenlang werd mijn arm dikker. Van mijn elleboog tot mijn hand één groot plakkaat.
Dit was dus een survival of the fittest. Iedereen die mij kent weet dat ik dat potje verlies. Ik blijf soms hangen in kleine dingen die je dag verstoren.
Tot ik online keek. En ik zag in wat voor wespennest gemeente Sint-Michielsgestel zich bevindt. Den Haag en Boxtel wijst, de gemeente mag het oplossen. Inwoners voelen zich gestoken, meningen schieten alle kanten op. Iedereen op scherp. Eén verkeerde beweging en het hele nest vliegt uit elkaar.
Dan ben ik blij dat ik daar niet zit. Al heb ik er een enorme hekel aan, geef mij dan maar het strijkijzer en de was. Daar kan ik de kreukels tenminste eruit halen en de boel gladstrijken.